Achondroplasie = (Condrodystorfie) Onvoldoende of verlate verbening van kraakbeen, waardoor misvormingen ontstaan.
Achterhand = De achterbenen en bekkengordel.
Achtermiddenvoet = Het deel van het achterbeen tussen hak en tenen.
Amandelvormig = Aanduiding van ovale oogvorm.

Bakken = Sterk ontwikkelde, zichtbare wangspieren, die de belijning kunnen storen.
Behang = Oren plus beharing der oren.
Beharing = Synoniem voor vacht.
Beladen schouders = Een te zware ontwikkeling van de spieren onder het schouderblad, waardoor belijning wordt verstoord.
Belijning = Het silhouet van de hond.
Bles = Witte vlek op de voorhoofd.
Bodemafstand = Afstand van de grond tot het laagte punt van het borstbeen.
Bone = Botsubstantie.
Borstdiepte = Loodrechte afstand tussen schoft en borstbeen.
Bovenbelijning = Lijn, die vanaf het achterhoofd, via de nek, schoft, rug, lendenen en kruis tot de staartaanzet loopt.
Bovenvoorbijten = Bij gesloten mond staan de boventanden (ver) voor de ondertanden.
Brachiocephalen = Honden met een brede schedel.
Breien = Foutieve gang: (Kruisen) Bij geringe snelheid voorbenen voor elkaar plaatsen.

Canis = Latijn voor “hond”.
Canis Familiaris = Latijn voor “Huishond”.
Carnivoor = Vleeseter.
Catarac = Aandoening (vertroebeling) van de ooglens, staar genoemd.
Chondrodystrofie = Onvoldoende os verlate verbening van het kraakbeen, waardoor misvormingen ontstaan.
Croupe = Laatste deel van de rug tussen darmbeenknobbels en staartaanzet.
Cryptorchisme = Ontbreken van beide testikels in het scrotum.

Derde ooglid = Bevindt zich in de binnenste ooghoeken, is normaal donder van kleur en nauwelijks zichtbaar. Vaak aangeduid als knipvlies.
Dip = Inzinking achter de schoft, waar de richting van de doornuitsteeksel van de wervels verandert.
Distichiasis = Naar binnen ingeplante ooghaartjes die de oogbol irriteren.
Dogachtigen = Groep honden met brede schedels.
Draf = Manier van voortbeweging, waarbij steeds een diagonaal benenpaar het lichaam ondersteunt.
Droog = Zonder vet of losse huid, maar wel gespierd.

Ectropion = Het naar buiten krullen van het onderooglid.
Elleboogdysplasie = Een verzamelnaam voor een aantal verschillende aandoeningen van het ellebooggewricht: OCD (Osteochondrois Dissecans), LPA (Losse Processus Anconeus), LPC (Losse Processus Coronoideus).
Entropion = Het naar binnen krullen van 1 of beide oogleden, waardoor de haren de oogbol irriteren.
Expressie = Gezichtsuitdrukking.
Exterieur = De uiterlijk verschijningsvorm van de hond.

Frans staan = Met de voorvoeten naar buiten gedraaid staan.
Front = Voorbenen en borst.

Gaan = Voortbewegen van de hond.
Gaan Gebonden = Te weinig naar voren en naar achteren plaatsen van de achterbenen.
Gaan Nauw = Het te dicht naast elkaar plaatsen van de voor- en/of achterbenen.
Gaan Eensporig = Het tijdens de draf zodanig neerzetten van de voeten, dat hun spoor één lijn vormt.
Galop = Snelste wijze van bewegen, waarbij het lichaam zich regelmatig in een zwevende toestand bevindt.
Gangwerk = De wijze van voortbewegen.
Geblokt = De schofthoogte is gelijk aan de lengte van de romp (Vierkant).
Gestrekt = De schoft is minder hoog dan de romp lang is.
Gladharig = Kort aanliggend haar zonder ondervacht.
Glasoog = Blauw oog met een lichte iris, gebrek aan pigment.
Grond (veel beslaan) = In gangwerk ruim uitgrijpend.

Hangend oor = Het oor hangt recht langs het hoofd.
Harlekijn = Wit met zwarte vlekken.
Hazenvoet = Ovale, vrij lange voet door extra lange eerste teenkootjes.
Heupdysplasie = Misvorming van het heupgewricht, afgekort tot HD.
Hoeking = De hoek, die de botten van de ledematen onderling vormen; ook gewinkeld.
Hoogbenig = De verhouding borstdiepte/bodemafstand is door een ondiepe borst of lange onderarm verstoort, waardoor de hond meer beenlengte dan lichaamsdiepte vertoont.

Kameelrug = Een te dicht bij de schoft gewelfde rug.
Karperrug = Rug met gewelfde lendenen.
Katvoet = Kleine, ronde voet, kort eerste teenkootje.
Keelhuid = Losse, ruim hangende huid rond de keel.
Knikstaart = Staart, waarvan twee wervels in een knik met elkaar vergroeid zijn.
Koehakkig = Van achteren bezien staan de spronggewrichten (Hakken) dichter bij elkaar dan de voeten.
Kruis = Laatste deel van de rug tussen de darmknobbels en staartaanzet.
Kruisen = Tijdens het gaan de voorbenen voor elkaar plaatsen. (Ook wel breien of weven genoemd).
Kruisgebit = Stand van de tanden, waarbij een gedeelte van de kaak een schaargebit vormt en het tegenoverliggende gedeelte van de kaak een onderbeet is.

Loopsheid = Periode in de cyclus van de teef, waarin ze vruchtbaar is.
Los front = Door onvoldoende bespiering niet goed aanliggende schouderbladen en/of ellebogen.
Losse schouders = Schouders die bij het gaan naar buiten uitwijken.

Maagtorsie = Een draaiing van de maag om de lengte as, waardoor het spijsverteringskanaal afgesloten wordt.
Mantel = Kleur, die bijna de gehele hond bedekt. Alleen de benen, hals en een stuk van de staart blijven anders gekleurd.
Masker = Een donker gekleurde voorsnuit.
Min = Een teef die pups van een andere moederhond voedt.
Monorchisme = Het ontbreken van één der testikels in het scrotum.

Neusrug = Deel van de neus, dat loopt van de neusspiegel tot aan de stop.
Neusspiegel = Onbehaarde uiterste punt van de neus.

Occiput = De kam op het achterhoofdsbeen.
Onder(voor)bijten = De onder snijtanden staan bij gesloten mond voor de boven snijtanden.
Overbouwd = Het kruis ligt hoger dan de schoft.

Pigment = Kleurstof, die zich in de huid en vooral in de haren bevindt.
Platen = Grote donkere aftekeningen op witte ondergrond.
PRA = Progressieve Retina Atrofie (verval van het netvlies = erfelijk).
Prefix = Kennelnaam, geplaatst voor de eigennaam van de hond.

Raspunten = Eigenschappen die worden omschreven in een rasstandaard.
Rasstandaard = Een omschrijving van een ras aan de hand van eigenschappen, waaraan honden moeten voldoen om tot een bepaald ras te behoren.
Roach = Achter de schouders daalt de ruglijn en loopt dan iets gerond over de lendenen op, daarna weer een lichte daling naar de staartaanzet.

Schaargebit = Gebit, waarbij de boven snijtanden zonder of met zeer geringe tussenruimte voor de onderste snijtanden staan.
Schoft = Het deel van de rug tussen de schouderbladtoppen.
Schofthoogte = Lengte van de loodlijn van de schoft tot op de bodem.
Sikkelhak = Een te sterke hoeking van het hielbeen waardoor deze de vorm van een zeis/sikkel krijgt en niet gestrekt kan worden.
Sinusharen = Tastharen, lange dikke zeer harde haren aan het hoofd.
Snoeren = Het tijdens de draf zodanig neerzetten van de voeten dat hun spoor één lijn vormt.
Spreidvoeten = Niet goed aaneengesloten tenen.
Stamboek = Systeem waarin de afstamming van rashonden wordt opgenomen.
Stamboom = Een door de Raad van Beheer of een buitenslandse, door de FCI erkende instantie afgegeven bewijs m.b.t. de afstamming van de hond.
Stap = Langzame manier van bewegen, waarbij de benen stuk voor stuk worden neergezet.
Steil = Te weinig hoeking in de voor- en/of achterhand.
Steppen = Hoog opgooien van de voorbenen.
Stop = Overgang van de neusrug naar het voorhoofd.
Stuwkracht = Het afzetten met de achterbenen tijdens de beweging.

Tanggebit = De onder- en boven snijtanden staan bij gesloten mond precies op elkaar.
Telgang = Gang, waarbij de hond gelijktijdig de beide rechterbenen verplaatst en dan de beide linkerbenen.
Tonvormig = Ribben die sterk gerond verlopen.
Toontreden = De voorvoeten worden naar binnen gedraaid.
Type = Kenmerken waaraan een hond binnen een bepaald ras is te herkennen.

Vang = Wang, voorsnuit.
Vierkant = De schofthoogte is gelijk aan de lengte van het lichaam.
Vleesneus = Neus van roze kleur.
Vlinderneus = Neus, die gedeeltelijk pigment mist.
Voorborst = Het gedeelte van de borst, dat voor het boeggewricht uitsteekt.
Voorhand = De voorbenen met schoudergordel.

Wammen = (Keel)huidplooien.
Weven = Tijdens het gaan de voorbenen voor elkaar plaatsen, ook wel breien of kruisen genoemd.
Wisselneus = Tijdelijke verandering van de neuskleur onder invloed van hormonen.

Zadelrug = Slappe ingezakte rug.